• niels is een éénentwintigjarige knaap, uit wervik (en ook een beetje uit menen) kotachtig te gent. zijn hobby's zijn schrijven, muziek (a silver mount zion, godspeed you black emperor, dEUS, explosions in the sky, lambchop, eels, zita swoon, yevgueni, mira, sweet assembler, cass mccombs, evil superstars, tommcrae, ween, the album leaf, amusement parks on fire, cecilia eyes, final fantasy, galaxy 500, wilco, tomàn, the mars volta, the cure, spinvis, radiohead, queen, pulp, ryan adams, pink floyd, motorpsycho, pjds, absynthe minded, sweet assembler, novastar, nouvelle vague, tom helsen, nick cave &; the bad seeds, moondog jr., the smiths, led zeppelin, laura veirs, mercury rev, emmiliana torrini, mogwai, johnny cash, johnny turbo, jacques brel, iron and wine, jeff buckley, interpol, blocparty, grandaddy, gilbert o'sullivan, the beatles, gèsman, frank zappa, fence, marcy playground, timesbold, mountain goats, the beatles, das pop, mclusky, gorki, dresden dolls, gorky, an pierlé, arid, dream theater, sonic youth, counting crowes, zexy superglue, the portefenetres, admiral freebee, mogwai, sigur ros, lamb, lacrimosa, modest mouse, prince, the postal service, the coral, cake, the fountains of wayne, berg sans niple, kings of leon, wilco, daniel johnnston, bram vermeulen, raymond van het groenewoud, billy bragg, bright eyes, beck, the usual suspects, at the close of everyday, deep purple, devendra bannhart, de nieuwe snaar, crowded house, david bowie, elvis costello, death cab for cutie, das pop, coco rosie, anathema, nofx, air, supertramp, amon tobin, neeko case, vampire weekend, stereo total van morrison, lonnie donegan, herman van veen, acdc, canned heat, floggin' molly, 2 russian cowboys, joy division, neill young, nekromantix, hepcat, the kinks, the presidents of the united states of america, supertramp, the scabs, urbanus, buddy holy, ccr, canned heat, jefferson airplane, george baker selection, tom petty, vive la fête, roommate, das pop, karate, yeah yeah yeahs, the ting tings, black rebel motorcycle club, mitsoobichy jackson, the cinematic orchestra, mauro pavlowski, autopulver, clement peerens explosition, soulwax, kiss my jazz, architecture in heslinki, my latest novel, clap your hands and say yeah, jenny wilson, troy van balthazar, the ancient ones, het zesde metaal, tindersticks, sonic youth, fly pan am, slevensnevels, cass mccombs, jack johnson en vele anderen), pintjes pakken, roken en af en toe eens gaan lopen. hij studeert moraalwetenschappen aan de ugent en heeft geen favoriete kleurpotloden want zijn nekhaar komt daarvan recht.

web-log.nl, powered by TypePad

8 januari 2009

koud

Het was koud op de gang.

De koude dempte het geluid van de gekke Amerikaanse stemmetjes die boven de zware basboxen van het aan een installatie aangesloten tv-toestel zweefden. De wereld is stilletjes ingedommeld tussen de geluiden van de open gebleven kijkbuizen. Het nieuws ligt nog ergens na te rotten tussen de oren van de nietsvermoedende mensen.

Slechts her en der vertonen hersenen nog enige vorm van activiteit van onder het licht van een zoemende bureaulamp, de bijbehorende lichamen door elektrische verwarmingstoestellen van warmte voorzien.

Op de achtergrond wordt Nederland gek in de herhaling. In de ban van het ijs. Bijna door de jaren genekt, rijzen van onder de vreemdste hoeken uit vergane schaatsglories op. Wetenschappers boren, meten en experimenteren naar hartenlust in de dikke laag ijs die de Nederlandse meren en wateren bedekt. Overal herontdekken mensen het kind diep in zichzelf, en binden ze stoutmoedig, alsof de jaren op hen geen vat hebben gehad, hun schaatsen aan. Tussen al dat oud geweld, ontdekken nieuwe generaties de kunst van het bevroren water.

Het zweet druppelt ergens op een cursus.

De wereld glijd nietsvermoedend het nieuwe jaar in.

19 juni 2008

de ombudsman

Ik ben de Ombudsman. Althans gedeeltelijk.
Op ons bureautje zijn we met z’n drieën. In Luik zitten er nog drie, voor de Franstaligen. Ik ben één vijfde dus. Ik krijg persoonlijk één vijfde van de 2759 klachten, 1664 over de dienstregelingen en 1095 in verband met vertragingen, in mijn gezicht gesmeerd. Elk van die 552 -dat vijfde van die overblijvende klacht (2759/5=551.8) neem ik graag voor mijn rekening, de andere worden met plezier door de Franstalige collega’s opgelost- klachten tracht ik dan naar eer en geweten te behandelen, hetzij met een oplossing voor eventuele gevolgen van de aangeklaagde activiteit van de nmbs, het zij door ze niet minder dan ernstig onder aandacht van de beleidsmensen te brengen. Want dat is mijn job.
Gisteren ben ik op tv geweest. Althans, een vijfde van mij had dat moeten zijn, zodat elkeen van ons bureau en onze Franstalige collega’s een radertje zouden zijn in het goedgeöliede uurwerk dat de ombudsman wel is.
Maar wij waren niet echt op tv. Althans, niet fysiek. Wij werden vertegenwoordigd door dhr. Guido Herman, onze vertegenwoordiger voor regionale en binnenlandse pers. Voor buitenlandse pers hebben wij geen vertegenwoordiger, want buitenlanders houden van ons spoorwegnetwerk en zijn stiptheid, en vermoeden dus geen dergelijk hoog klachtenaantal. Zouden ze dat toch doen en ze zien eerst onze vertegenwoordiger voor regionale en nationale aangelegenheden, dan zouden ze zich, alvorens moeite te doen diens woorden te vertalen, door zijn ontspannen en natuurlijk voorkomen meteen de moeite besparen contact op te nemen met onze vertegenwoordiger voor buitenlandse aangelegenheden, gezien zij denken dat onze ombudsman slechts 1 geheel ontspannen en dientengevolge zeker niet de beoefenaar van een stresserende job zoals die van het zijn van ombudsman in een land als België wel is.
Het gebruik van een dergelijke vertegenwoordiger heeft zo zijn nut.
Ondanks het feit dat mensen zich dagelijks tot ons richten met een klacht, zonder dat één van hen ons eigenlijk ooit gezien heeft, zijn wij uitgesloten uit onze samenleving. Wij zijn geen man, en al helemaal niet ombuds. Wij zijn 5 doodbrave mensen op bureaus, en ja we hebben ombudsdienst overwogen, die de godganse dag niets anders doen dan klachten ontvangen. Elke dag krijgen wij 1, meestal zelfs 2 schriftelijke expressies van het ongeloof van dikwijls heel trouwe nmbs-reizigers, en elke keer opnieuw moeten wij die zien op te lossen!
Zelfs dat niet. Een klacht los je niet op. Een klacht is oprecht, een steek door het hart! Alsof de kinderen niet kunnen geloven dat de moeder nu net gedronken had.
Daarom gaan wij anoniem door het leven. Wij offeren ons op, tegen de verzuring van de maatschappij, ook al maakt het van ons asceten in een stoffige wereld van bureaucratie. Een systeem dat zo snel oud werd dat het al stof vergaarde alvorens de eerste stoppels onder de neus tevoorschijn kwamen.
Wij weigeren onze zwaarvermoeide hoofden in de verzuurde buitenwereld kenbaar te maken, enkel en alleen al omdat wij, mijns inziens terecht, daarmee een heel klein beetje de wereld een betere plaats maken. Dankzij ons kunnen mensen hun hart luchten, hun gevoel van machteloosheid een kanaal geven naar de verwerking. Door aan de gehele nieuwskijkende bevolking te tonen hoe zeer deze taak onszelf terroriseert, kunnen wij dat enkel teniet doen door een schuldgevoel op te wekken en mensen aan te zetten minder hun hart te komen luchten, meer zelfs kunnen wij mensen nog verzuurder laten worden, aan het niet vinden van een gepast ontlastingskanaal voor hun gevoelens van machteloosheid.
U zou ons helden kunnen noemen, behoeders van de gemiddelde neutrale zuurtegraad van onze maatschappij, wij kunnen ook niet altijd alles oplossen, voor zover klachten op te lossen vallen. Maar dat doet u niet.
Ik besta immers niet. Wie ik op tv ben is van geen belang, de man is ingehuurd. Ik ben de ombudsman en ik besta niet.
Ik ben de ombudsman,
En ik ben dat graag!

17 januari 2008

de solden voorbij

Het was voorbij.
Dat besefte ze nu ook terwijl ze bijna huilend de laatste deur achter zich hoorde dichtgaan. Nog één keer had ze zachtjes haar vingers laten glijden over de toonbank. Het laatste bloesje, dat toch twee maten te groot was, had ze nog even recht gehangen en daar stond ze nu op straat. De straat die de laatste dertig dagen tussen acht en halfzeven nooit had kunnen ontsnappen aan de drukte.
De verkoopster had gelijk, morgen kon ze terugkomen. En het was niet omdat de kortingen verdwenen waren dat ze er niet meer mocht komen. Wat was geweest was geweest, maar de solden waren voorbij en hoe graag de verko(o)p(st)ers haar ook zagen komen, ze konden haar niet geven waar ze stiekem op had gehoopt. Ze kon terugkomen, maar het zou niet meer hetzelfde zijn, want het was voorbij.
Een traan rolde over haar wangen. Ze voelde zich bedrogen. Langzaam drong het tot haar door dat de winkels meer hielden van het grote geld, van de prijzen zonder flashy oranje stickertjes met onmenselijke percentages. Haar liefde voor de solden was oprecht geweest, en hoewel ze had moeten weten dat dit niet kon blijven duren kwam het haar de rug toekeren van de winkels zwaar aan. Ze veegde de traan weg.
Een kreet balde zich samen net onder haar strottenhoofd maar ze kon hem niet laten ontsnappen. Ondanks het bedrogen gevoel, begreep ze hun reactie wel. Zoals zij had gehouden van het slenteren tussen de rekken, het eindeloos passen en de voldane blik van mede koopjesja(a)g(st)ers, zo hadden ook zij genoten van haar subtiele aanrakingen, haar stralende glimlach bij iedere ontdekking en de zachtheid waarmee zij met hen was omgesprongen. Oprecht, zonder meer, maar het kon niet blijven duren, want zoals zij wou dat het nooit zou ophouden, zo wilden ook zij dat de niet-afgeprijsde dagen met monsterwinsten zouden bijven duren, alsof altijd alles nieuwe collectie was.
Opnieuw kwam een traan uit het hoekje van haar oog tevoorschijn. Liefst nog had ze beginnen gooien met de losliggende kasseistenen naar de ondertussen al bijna leeggemaakte ramen, maar ze kon het niet. Ze snapte hen, want hun liefde voor het grote geld was niet meer bereikbaar dan de hare voor de solden. De winkels wisten heus wel dat ook solden veel geld opbrengen, en dat de keuze voor haar en de solden een goeie zou geweest zijn. Maar het onbereikbare heeft net dat tikkeltje meer. Die liefde die uit de buik kwam, ongezond, maar onvoorwaardelijk. De liefde die ook zij voelde, maar dan voor de solden.
De cirkel was rond, afgrijselijk rond. De solden voorbij.

 

27 december 2007

gepiep

Er werd gepiept.
Ik keek rond en hoestte, in de hoop het gepiep op niet-mysterieuze te doen verdwijnen. Even hield ik mijn adem in. Daarna begon het opnieuw.
Ik hoestte nogmaals, alvorens het tot mij kwam dat zij, en niet ik, de oorzaak van het gepiep was. Ik lachte fluisterend en zij trok haar neus op.
Er zijn verschillende redenen waarom mensen piepen. Zij piepte omdat ze teveel rookte. Net zoals ik overigens, maar dit keer piepte ik niet.
Het leven was goed zo. Te beseffen dat wij één waren. Zo één dat ik haar gepiep als het mijne aanzag. Alsof we in elkaar zaten, maar dan zonder seks.
Het leven was altijd goed zo, daar diep verscholen in de nacht. Met of zonder seks, de nacht was onze schuilplaats voor die eeuwige twijfel. Voor de anderen. En eigenlijk voor alles wat tussen ons stond. In de nacht waren wij geliefden, het schrijven niet waard, want geen tragedie kwam eraan te pas.
De ochtenden, die waren zwaar. Het hervatten van het leven en de onbestaande dagelijkse sleur. De twijfel die elke ochtend met mondjesmaat als vers jong zonlicht de kamer binnendwarrelde. Het plannen van de volgende dag, te kort om efficiënt in te delen, te lang om over te slaan.
Ze was er altijd al beter in geweest dan mij. Soms leek het alsof de nacht die ik beleefd had een andere was dan die van haar. Of dat ik hem slechts gedroomd had.Maar steeds weer stelde ze me gerust. De ene keer met een zoen op mijn borst, de andere keer met die blik, vervuld van medelijden voor wat ze me weer aandeed.
Mensen moeten minder medelijden hebben. Zeker wanneer het gaat om al dan niet vervlogen herinneringen aan wat mooi was. De nachten. Het één zijn. Ze waren echt,stuk voor stuk. En hoe onmachtig ik ook tegenover hun gebrek aan continuïteit stond; ik had ze beleefd , meerdere malen zelfs, en daar kan geen medelijdenbetogende blik iets aan veranderen, noch in de positieve, noch in de negatieve zin.
Maar die ochtenden waren zwaar, en maar al te graag nam ik haar medelijden als troost aan. Een magere troost, dat moet ik toegeven, maar veel meer kon ik op zo’n momenten niet hebben.
Steeds weer vol herinneringen, van de soort die je aan iedereen wilt vertellen, maar eigenlijk gewoon te melig, te stom of te banaal zijn er woorden aan vuil te maken, waren die ochtenden. Steeds weer vol troost, waren die ochtenden. Troost, het vermomde medelijden met wat ze me zelf had aangedaan, het teken de volgende dag aan te vatten. Het teken dat het volgende gepiep van niemand anders dan mezelf, hoogstens een verdwaalde door alcohol verleide bedpartner, afkomstig zou zijn.
Zo lang de troost maar geen spijt wordt vullen de dagen zichzelf wel.
Ze hoestte. Het gepiep hield op.

19 december 2007

"Why should I be moral?"

“Why should I be moral?”

  1. Inleiding

In deze tekst ga ik op zoek naar de kern van het morele, meer bepaald naar het waarom van moraal. Dit doe ik door eerst mijn visie over wat moraal precies inhoud te verduidelijken. Daarna zal ik proberen stapsgewijs de centrale vraag “Why should I be moral?” te ontleden. Dit zal ik doen door de vraag te herstellen in functie van mijn invulling van moraal. In mijn besluit keer ik dan uiteindelijk terug naar de oorspronkelijke vraag.

  1.  “Moral”

Wanneer we ons willen bezig houden met de vraag “Why should I be moral”, is het essentieel eerst duidelijkheid te scheppen over wat we precies verstaan onder “Moral”. Dat dit op zich al geen eenvoudige opdracht is spreekt voor zich. Daarom wil ik onderstrepen dat ik in deze tekst vooral moraliteit vanuit het hier geschetste standpunt zal benaderen. Het standpunt dat ik in deze tekst hanteer vloeit voort uit een idee dat Moraal (dubbelzinnig als die term is) bestaat uit 2 niveau’s.
Het eerste niveau beschouw ik eerder als een praktisch niveau. De mens wordt, vaak zonder dat te beseffen, volledig bepaald door zijn omgeving. Alle handelingen, verbaal of non-verbaal, zijn op de een of andere manier beïnvloed, en strikter gezien zelfs bepaald, door zijn omgeving (mens, samenleving, maar evengoed de fysieke werkelijkheid voor zover we deze kunnen waarnemen) en hoe hij in die omgeving staat. De mens is een bewustzijnswezen, dat enkel met de manier waarop hij de wereld ervaart, leeft. Dit hoeft niet meteen afbreuk te doen aan het concept van de empathie, maar zelfs wanneer de mens probeert zich in te leven in het denken, leven, of andere aspecten van de andere, doet hij dit vanuit zijn eigen belevingswereld, zijn eigen subjectieve ervaring van wat er rond hem gebeurt, hoe de dingen zijn of hoe ze zouden moeten zijn. Steeds wanneer de mens denkt, creëert of wat hij zichzelf ook tracht toe te schrijven, doet hij dit vanuit zijn eigen subject en bewustzijn, dat onoverkomelijk bepaald word door wat het heeft ervaren, hetzij positief als het overnemen van ideeën, hetzij negatief als het reageren op ideeën en het van daaruit op zoek gaan naar alternatieven.
Vanuit dit mensbeeld vertrek ik dan ook om moraal te omschrijven als een soort praktische manier om te leven en bijgevolg samen te leven. Net zoals alle handelingen en ideeën van de mens in contact staan met zijn omgeving (wat hij eruit haalt en hoe hij erop reageert of dat net niet doet) is dat ook met moraal het geval. Wanneer we nu spreken over moraal als een praktisch regelgevend systeem waar we ons aan kunnen houden, of eerder als een theorie die ons in staat stelt na te denken over keuzes aangaande wat te doen en wat niet te doen (of meer clichématig: over wat goed en slecht is) steeds weer moeten we toegeven dat moraal hoofdzakelijk een zaak is van hoe te leven en gezien we dit leven onafgebroken doen in een bepaalde context, hoe te leven in deze context. Moraal wordt in deze visie dus vooral beschouwd als een sociaal of toch tenminste omgevingsgebonden gegeven. Wanneer we keuzes maken aangaande het morele domein zijn we dus ook gebonden aan onze omgeving. Elke keer wanneer we een moreel oordeel vellen (een uitspraak doen over wat te doen, of hoe het te doen) of een morele daad stellen (een daad waarin we onze morele ideeën verdedigen, of simpelweg laten door leiden), doen we dit vanuit een bepaalde visie die we ergens hebben opgevangen, alweer: hetzij positief door die ergens overgenomen te hebben, hetzij negatief uit reactie tegen een andere visie of eventueel positief uit een alternatief dat we als reactie op die verworpen visie hebben opgebouwd.[1] Bij moraliteit is het dan ook duidelijk dat dit omgevingsgebonden zijn vooral voortkomt uit het samenleven met anderen. Zelfs wanneer iemand er een compleet egoïstische moraal op na houd, is dit nog steeds een standpunt tegenover de andere. Het is dan ook onmogelijk om over moraal te spreken wanneer er geen andere bij komt te kijken, en bij uitbreiding ook onmogelijk te leven wanneer er geen andere bij komt te kijken want nog van voor het ontstaan van een mens is een andere mens (of dier, evolutionair gezien) als voorganger nodig om tot leven te komen. Daarna word hij erdoor opgevoed en is hij dus onlosmakelijk verbonden met een andere (deze hoeft daarvoor niet eens menselijk te zijn, denk aan het wolfskind) en de omgeving waarin hij zich bevind, immers niemand leeft los van zijn omgeving.
Een tweede niveau waarop ik de term moraal voor deze tekst wil verduidelijken is het inhoudelijke. Dat moraal vooral een omgevingsgebonden zaak is, lijkt me zeer voor de handliggend. Maar welke concrete invulling moeten we deze moraal nu juist geven? Welke moraalfilosofische stromingen zijn waardevol of correct?
Het is een vraag waarop het antwoord zowat alle bibliotheken ter wereld beslaat. Sinds het ontstaan van de mens, en misschien zelfs al daarvoor, is hij bezig met deze vraag en in de loop der tijden zijn er dan ook duizenden, zoniet miljoenen invullingen aan gegeven, gaande van religies, ethische theorieën tot de wetten van een land of samenleving. Het lijkt me wat te hoog gegrepen hier even te gaan stellen welke van deze oneindige voorraad aan visies de correcte is. Persoonlijk neig ik nogal naar een soort van constructief pluralisme. Doorheen het formuleren naar antwoorden op de vraag welke ethische theorie nu de juiste, correcte (voor zover dat mogelijk zou zijn) lijkt het me dragelijk dat in vele van die antwoorden nuttige dingen kunnen gehaald worden. Uit elkeen van die visies kunnen we bepaalde dingen halen die binnen ons leven, onze context bruikbaar zijn. Hiermee wil ik zeker niet vervallen in een ver doorgedreven relativisme waarin elke alles relatief is aan de theorie die de gebruiker hanteert. Het lijkt me eerder nuttig om de verschillende waardevolle ideeën uit bepaalde visies constructief en als het even kan zelfs samen met andere te bekijken en naar waarde te schatten.
De twee niveau’s in beschouwing genomen, lijkt het me mogelijk te stellen dat moraal vooral een door de omgeving beïnvloede manier is om te bepalen hoe te leven. Aan de hand van zijn omgeving is de mens in staat zich bepaalde inhoudelijke morele ideeën, visies te creëren die hij als soort van leidraad gebruikt doorheen zijn leven. Moraal is ook in deze visie (in iets meer plastische termen) de kunst van het leven, en vooral hoe dat te doen. 

  1. “Why should      I?”

Wanneer we nu terugkeren naar de vraag, word het duidelijk dat de “Why should I” op zijn minst anders zal moeten anders geformuleerd worden. Wanneer we moraal immers zien als “een door omgevingsfactoren beïnvloed systeem van beslissingsmethoden en handelingen om te bepalen hoe te leven”, kunnen we stellen dat we allen sowieso moreel zijn, want we leven. Allen leven wij in onze omgeving en allen gaan wij daar op een bepaalde manier mee om (zelfs wanneer we ons het leven zouden ontnemen, cfr: negatieve reacties). We hebben simpelweg niet de keuze om amoreel te zijn, omdat we nu eenmaal in die omgeving leven. Enkel dood zou men als een amorele status kunnen beschouwen, maar daar rijst dan de discussie weer op over het al dan niet zijn, wanneer we dood (of nog niet levend) zijn. Het lijkt me dan ook niet zo nuttig hier dieper op in te gaan.
Met mijn visie op moraal wil ik dus vooral stellen dat we allen moraal zijn. Of we dat nu willen of niet, en of we daar onszelf nu Utilitarist of Nihilist voor noemen, allen leven we binnen een samenleving en omgeving waarbinnen we leven en op zoek gaan naar hoe dit te doen.
De vraag die ik dus van “Why should I be Moral” zou kunnen maken is: “Why am I Moral?”, of nog breder: “Why are we Moral?”.  

  1. “Why are we      moral?”

De nieuwe vraag die rijst uit de idee dat iedereen moreel is (op welke manier hij dit dan ook invult) is er een die opnieuw niet meteen een eenduidig antwoord heeft. Op de een of andere manier hebben vele filosofen zich al over dit probleem uitgelaten. Zo kunnen we Kant’s zoektocht naar een metafysica van de zeden zien als een zoektocht naar de oorsprong en gedeeltelijk ook het “waarom” van moreel zijn, maar zelfs bij hem neigde de verklaring opnieuw naar een eerder inhoudelijke invulling (de categorische imperatief die volgt uit het idee van een ongrijpbare universele morele wet).
Voor mijn poging tot een antwoord grijp ik vooral terug op de evolutieleer. Ik besef ten volle dat de kans bestaat dat binnen 100 jaar een nieuwe theorie word opgesteld die de evolutietheorie volledige van de kaart veegt, maar het lijkt me momenteel de meest gangbare gedachtegang.
Zo kunnen we volgens mij moraal zien als een evolutionair kenmerk, dat de kans op voortzetting van de genen via de mens opmerkelijk vergroot. Vooraleerst is de praktische invulling die ik in hoofdstuk 2 van deze tekst aanhaal hierin belangrijk. Wanneer moraal inderdaad omgevingsgebonden is en zich op die manier afstelt op zijn omgeving (of er toch tenminste zijn invulling uit haalt) kunnen we stellen dat het een groot evolutionair voordeel met zich meebrengt. Geen enkele soort is er ooit in geslaagd zich in zo’n groot aantal en over zo’n groot oppervlakte van het aardoppervlak te verspreiden en het is dan ook logisch dat de manier van samenleven met zijn omgeving en de andere mensen essentieel is voor een zo goed mogelijke genenoverzetting.  Bijna alle aspecten uit het menselijke leven die de mens zo’n succesvolle soort maakt (landbouw, politiek, enz…), vloeien voort uit een bepaalde visie op dit samenleven. Gezien ik in deel 2 al sprak als moraal als een van de voornaamste manieren om te leven binnen een omgeving (fysiek, maar dus zeker ook sociaal) is het dus voor de hand liggend dat moraal hierin een grote rol speelt. De mogelijkheid oordelen te vellen over wat goed en fout is, hier rationeel over te reflecteren (eventueel met anderen,maar evengoed door fouten van anderen, cfr. positieve en negatieve beïnvloeding door de omgeving) en morele standpunten in te nemen, zorgt ervoor dat de mens als bewustzijnswezen eigenlijk een soort van extra categorie van evolutionaire kenmerken creëert. Dit zijn op zich geen evolutionaire adaptaties zoals die in de evolutieleer terug te vinden zijn, maar wel de mogelijkheid rechtstreeks in te grijpen in de omgeving (door bepaalde situaties, fysiek, maar ook weer sociaal te overdenken en naar de beste oplossing te zoeken), iets wat op lange termijn ongetwijfeld ook bijdraagt tot de voortzetting van de genen. Immers, wanneer de mens langer leeft en meer nakomelingen heeft (maar ook niet te lang en teveel) draagt dit bij tot een meer zekere en betere voortzetting van die genen.
Natuurlijk zijn lang niet alle invullingen van moraal (inhoudelijk dan) even bijdragend tot het positief evolutionaire (incest, genociden, enz…), maar net zoals in de geschiedenis van het leven (voor zover we daar kennis van kunnen hebben) bestaat de kans dat verkeerde eigenschappen voorkomen. Verschillende diersoorten zijn al uitgestorven door verkeerde adaptaties, of het gewoon niet verder evolueren. Het voordeel aan moraal is dat een morele fout niet meteen de gehele voortzetting van de genen in gedrang brengt, wat opnieuw duidelijk maakt waarom ik moreel zijn niet meteen een standaard evolutionair kenmerk is. We kunnen immers bij fouten reflecteren, evalueren en eventueel ingrijpen. Je zou kunnen stellen dat het evolutionaire kenmerk “moreel zijn” een soort verzameling is van kleinere evolutionaire kenmerken waar we zelf in kunnen ingrijpen (en dus niet langer meer generaties nodig heeft om aanpassingen te doen). De mens is als het ware bewust van het evolutionaire karakter van het leven (cfr. de mens als bewustzijnswezen in zijn omgeving uit deel 2). Dit zou ook meteen verklaren waarom er inhoudelijk nog steeds geen consensus is bereikt over welke inhoudelijke invulling we nu precies moeten geven aan moraal en of we nu Utilitaristisch, Kantiaans, Nihilistisch of een van de miljoenen andere morele invullingen moeten zijn. We zouden kunnen stellen dat de verschillende morele theorieën en ideeën een soort mini en misschien wel eeuwigdurende “struggle for life” leveren. Dat deze morele ideeën en theorieën (en bij uitbreiding sociale stelsels, politieke ideeën en ideologieën, want deze hebben allen steeds weer een morele basis, namelijk hoe te leven in onze omgeving, fysiek en sociaal) en de strijd ertussen, ik denk hierbij aan de letterlijke strijd tussen politieke ideologieën maar ook aan pakweg hongersnood die eruit voortvloeit of simpelweg gecreëerd word door een verkeerde omgang met de omgeving (zoals vb de ondergang van het Egyptische rijk door een verkeerde omgang met het op het eerste zicht voordelige irrigatiesysteem) uiteindelijk paradoxaal genoeg een zelfvernietigend karakter (als evolutionaire eigenschap) kunnen aannemen hoeft dan ook niet uitgesloten te worden. Het zou immers niet de eerste adaptatie geweest zijn die uiteindelijk niet een goede zou geweest zijn. Waaruit weer het belang van moraal blijkt en we kunnen terugkeren naar de oorspronkelijke vraag van deze tekst, namelijk: “Why should I be moral?” 

  1. Terug naar:      “Why should I be moral?”

Met het terugkeren naar de oorspronkelijke vraag wil ik niet zozeer een antwoord zoeken op de letterlijke vraag of naar hoe we op de een of andere manier moeten moreel zijn (inhoudelijk), maar het belang aantonen van moraal op zich. Zoals ik in deel 2 al aanbracht pleit ik voor een pluralistische (maar constructieve) invulling van moraal. Uit de idee van moraal als een evolutionair kenmerk met daarin mini-evolutionaire kenmerken die tegenover elkaar staan kunnen we afleiden dat het belang van de inhoudelijke morele invullingen niet te onderschatten valt, immers in de strijd tussen deze verschillende inhoudelijke theorieën en ideeën is de grens tussen zelfdestructie en een positief evolutionair kenmerk (dat dus niet plots een slechte adaptatie blijkt geweest te zijn) zeer dun. We moeten dus voorzichtig en constructief omspringen met het doordrijven van deze morele theorieën en ideeën (en opnieuw met de politieke en ideologische stelsels die eruit voortvloeien).
In het opnieuw stellen van de vraag zou ik dan ook de term “moral” even willen invullen als dit constructief en pluralistisch omgaan met verschillende morele visies. Het antwoord op de vraag zou dan logischerwijze zijn: omdat we leven (daarom zijn we als mens moreel) en om dat te blijven doen (als persoon, als soort, maar vooral ook evolutionair voor het overleven van de genen omdat dit simpelweg is wat genen doen[2].)



[1] Ik wil deze mogelijkheid tot positieve en negatieve reactie sterk benadrukken omdat ik geen afbreuk wil doen aan wat aanzien word als creativiteit. De mens kan een creatief en creërend zijn, maar zelfs wanneer volledig nieuwe ideeën, concepten worden bedacht of uitgevonden hebben die op de een of andere manier betrekking met de context waarin de mens leeft. 

[2] Bij dit besluit wil ik nog even herhalen wat ik in de aanvang van hoofdstuk 4 aanhaalde. De evolutietheorie zou evengoed binnen honderd jaar van de kaart geveegd kunnen worden door een andere theorie. Dit lijkt nu voor sommigen ondenkbaar, maar wie zich kritisch met wetenschap inlaat, weet dat deze mogelijkheid bestaat. Ik wil deze tekst en het idee dat ik erin presenteer dan ook niet als een sluitende theorie voorstellen, eerder als een poging en denkproces om tot een dergelijke theorie te komen.

10 december 2007

schakeringen van hoop

Schakeringen van hoop. Niet makkelijk te onderscheiden van andere kleuren en vormen.
In tegenstelling tot wat vaak beweerd word hebben ze geen positieve of negatieve connotatie, noch zijn ze neutraal. Naargelang de omgeving en situatie waarin ze vertoeven kleuren ze geel blauwsgewijs groen maar rood dan weer paars. Van datzelfde paars maken ze daarna schaamteloos in eenzelfde beweging een vuilachtig bruin om uiteindelijk als zwart te eindigen door als een kameleon alle kleuren aan te nemen en zo aan een nieuwe cyclus te beginnen, nog niet goed wetende welke kant nu uit te gaan.
Van een driehoek veranderen ze op onverklaarbare wijze in een kegel wanneer je ze van de andere kant bekijkt, maar nog voor je weer denkt bij het beginpunt gekomen te zijn is een parallellepipedum je deel. Alsof ze ooit in een vorm te gieten waren.
Vluchtig en veranderlijk als ze zijn weigeren sommigen er geloof aan te hechten, maar evenzeer is het een noodzakelijk levensmiddel voor velen.
Maar ze zijn er, die vluchtige schakeringen van hoop, zomaar doorschemerend in de dagelijkse dingen.
Ze zijn er.

24 november 2007

even

Even. Dat was de tijdsaanduiding die hij wenste te gebruiken.
Even zou het duren, eer hij over zijn lippen zou krijgen wat gezegd diende te worden. En even, dat zou ook de tijdsaanduiding gaan worden voor het teveel aan laattijdigheid die van die uitspraak zou uitgaan.
Tijd is relatief had iemand hem ooit gezegd, en dat vijf minuten met je hand op een hete kookplaat veel langer duurde dan vijf minuten met diezelfde hand op de borst van je geliefde. Theoretisch gezien geen speld tussen te krijgen, maar in de praktijk heeft niemand daar nog boodschap aan. Dingen die te laat kwamen zijn te laat, hoe relatief dat te laat zijn ook moge wezen.
Even nog, vooraleer ook tot hem het louter theoretisch zijn van een relatieve tijdsopvatting zou doordringen.
Even nog voor ook dat te laat was.

20 november 2007

zondagnacht

Zondagnacht. 04:12
Het was zondagavond. Maar ze was er niet. De eerste sinds weken. Zonder haar.
Het hout van de brug voelde glibberig. Alsof een kudde lichtgevende groene slakken voor zijn passage massaal de brug aan het oversteken waren terwijl net een bende weglopende terroristen voorbij raasde. Even leek het erop dat de gladde zolen van zijn nieuwe schoenen het evenwicht daarboven op die brug niet zouden kunnen bewaren, maar een lamp lokte hem naar het licht waardoor hij op miraculeuze wijze terug het rechte pad op raakte.
Regendruppels vulden de houten plassen met kraters en wanneer de brug eindelijk ophield te bestaan, namen de kasseistenen gewillig hun taak als inspiratiebron voor plassen over. Een obstakel waarvan het hem slechts eenmaal binnen zou doordringen welke ravage het aan zijn broek had aangericht.
De stilte, af en toe vermengd met het gebobbel van een voorbijgaande taxi over de glibberige kinderkopjes, moest het duel aangaan met de onregelmatige regendruppels. Slechts wanneer je goed luisterde, werd merkbaar dat het onsamenhangende geluid van de regendruppels het moest afleggen tegen het oorverdovende van de stilte… maar alleen als je dat echt wilde.
Het verlost raken van het hout, bleek even verder een goeie remedie geweest te zijn tegen het verzwakken van het licht dat hem daarstraks nog rechtop hield. Pas in zijn bed, zal het licht ontbreken (op een klein spleetje in het roluik na) in zijn tocht richting eenzaamheid. Maar gelukkig zal hij daar alvast geen last meer hebben van houten of kasseistenen plassen.
Na de bocht, leek het alsof ook het duister kon gaan delen in de zegevreugde met de stilte. Slechts weinig lichtbollen hadden het vanuit dat standpunt op dit stuk van zijn traject nog gehaald. Maar wanneer hij zijn hoofd naar beneden wendde zag hij hoe gewillig ook hier weer de kasseistenen het tegen het licht en al zijn bondgenoten opnamen. Het glimmen van de natte massieve blokken, bleek een prima schild te vormen tegen de binnenkort allesomvattende duisternis. Enkel een eenzame klimopplant kon stukken uit het schild beginnen te slaan. Want hierbuiten, in de stad, zal het duister (op een stroompanne na), nooit de bovenhand halen.
“Tuut”
Hij klapte de gsm open.
“Ik wou dat ik je had laten slapen, ik mis je!”
Gsm toe.
Gsm terug open.
“Inbox:leeg”
Inbeelding. Dat moet het geweest zijn.
Ondanks het stukje kapotgeslagen schild kasseilicht, had het hem weinig moeite gekost de sleutel in het sleutelgat te krijgen. Iets wat op andere thuiskomsten wel eens anders was.
Eenmaal binnen werd de duisternis met een flick of a switch volledig de kiem in gesmoord. Na een korte omweg richting frigo leek de trap (op een openstaande deur na) het laatste obstakel in de tocht naar de slaap, alwaar slechts in het geheugen nog de duisternis heerst. Maar eenmaal boven op de trap voelde hij de natte hielen die zijn broek gecreëerd had.
Verwaarloosbaar.
Zondagnacht. 04:36
Het was zondagavond. Maar ze was er niet. De eerste sinds weken. Zonder haar.
Slechts een licht in het duisteroverheersende geheugen, was ze toen geweest.
Ze was er niet.

19 oktober 2007

overbodig

“Ok, ben er in 10 min.”
Ik las het berichtje.
Enkele keren. Ik rekende uit.
22u45, gerekend dat zo’n ding wel een minuut onderweg zal blijven rondhangen. Ik keek rond. De klok was onduidelijk, maar wat mensen ook van gsm’s beweren, als het op tijd aankomt zijn ze betrouwbaar. Precies toen de digitale cijfers op een voor mij onverklaarbare wijze veranderden op de 22:54-combinatie ging de deur open. Ze kwam binnen en keek rond. Eerst de zetels, daarna de tafels, want daar had ze waarschijnlijk heimelijk op gehoopt. Ze wist wel beter en vond zonder veel zoeken het voor haar gereserveerde plaatsje naast mij aan de toog.
“Zo, ga je weer meneertje de alcoholieker beginnen uithangen?”
Ze keek minachtend naar mijn glas chartreuse. Alsof ze het van dat groen brouwsel wel kon halen, of toch tenminste als het erop aankwam mij uit de klauwen van alcoholisme te redden.
Het was niet het beeld dat ik kende uit de films. Geen droge whisky of dikke sigaar in de mond. Geen beeldschone zwarte jazzzangeres die krols de aanwezige heren hun schoot afdweilde met haar verleidelijke dikke roodgetatoeëerde lippen. Maar chartreuse was sterk genoeg, en bovendien nog lekker ook.
“Een cola alstublieft.”
Het contrast tussen de toon waarmee ze mij gedag had gezegd en die waarop ze bijna voorovervallend van nederigheid haar cola bestelde was beangstigend. Alsof dag en nacht in luttele seconden van plaats hadden gewisseld.
“En, al een beetje tot uzelf gekomen?”
Ik keek op. Wie moest hier eigenlijk tot zichzelf komen? Ik had haar enkel een plezier willen doen door dit als grote mensen te proberen op te lossen.
“Wel, voor zover dat nodig was wel ja.”
Deze reactie had ze duidelijk niet verwacht en aarzeling maakte zich dan ook meester van haar overtuigde gezicht.
“Mja, sorry. Laat ons niet weer ruzie maken. Het is gewoon…”
Ze aarzelde.
“… Ik zie u nog altijd graag.”
God, wat had ik dat moment willen ontlopen.
Als het op spreken aankomt, dan zijn er twee belangrijke factoren die je dient in rekening te brengen.
Eén: is het gene wat ik vertel waar, of ben ik ten volle overtuigd van de waarheid die uitgaat van mijn stelling. Daar viel niet over te twijfelen. Ze zag me graag. Plannen waarin de woorden kinderen, tuin en huis ergens op het platteland, liefst niet te ver van de grote stad, zodat de kinderen geen boerenpummels hoeven te worden, in voorkwamen dwarrelden met zekerheid ergens in haar hoofd. Elke avond zou ze mij een liefdevolle kus gegeven hebben of seks wanneer ik dat nodig achtte. En elke morgen zou ze mij als een volleerde huisvrouw meedelen dat ze me graag zag en dat nog menen ook.
Twéé: hoeft dat wat ik ga vertellen wel gezegd te worden? Hier zitten we met een twijfelgeval. Sommige dingen moeten verteld worden, gewoon omdat de ander nog geen weet had van de boodschap die van een dergelijke vertelling uitgaat, dat is waar. Andere dingen dan weer, zijn zo overduidelijk, dat ze het niet eens waard zijn er nog woorden aan vuil te maken. Dit is het geval voor dingen die al duizenden keren gezegd zijn, of dingen die zonder woorden kunnen verteld worden en dat al duizenden keren zijn geweest.
Maar wat met dingen die niet meer hoeven verteld te worden, omdat je ze al weet, maar belangrijker nog, omdat ze er niet meer toe doen?
“Je weet dat ik niet meer hetzelfde voor jou voel.”
Ernst herpakte zich op haar gezicht. Ernst vloeide over in teleurstelling, teleurstelling in woede, en dat allemaal in één vlotte overgang. Alsof ze wist dat iemand anders nu mijn aandacht kreeg. Dat het iemand anders was waarvan ik hoopte dat ze de dingen zei die ze zei, en ze nog meende ook.
“Waarom vraag je me hier dan nog? Wou je me nu echt eens zien wenen? Is dat het?”
Dat was het niet, maar toch was dat wat er gebeurde. Tranen baanden zich een weg naar de onderkant van haar gezicht. Een kant die ooit door passie van mijn kant overladen werd. Een kant die mij niks meer deed. Een kant die ik bij de reden voor deze opgave, nog niet had ontdekt, hoogstens gelokaliseerd, op een kaart, ergens diep in mijn hart.
Ze stond op.
“Sorry, ik weet dat dit niet je bedoeling was, maar ik kan er niet tegen, ik moet gaan.”
Ze spurtte weg, haar jas, die ik haar nooit had zien uitdoen, over haar arm. Alsof de koude lucht die de nacht buiten uitasemde haar in deze omstandigheden goed zou doen, maar hoogstwaarschijnlijk om zich geen minuut langer in mijn buurt te moeten bevinden. Dit hoefde niet meer gezegd, dat werd me toen wel duidelijk. Ik was degene die hier de communicatieve fout had gemaakt.
“Nog een chartreuse graag.”
De gast achter de bar bekeek me vol medelijden. Alsof hij wist dat ik hiervan spijt zou krijgen, iets waarin ik hem trouwens geen gelijk in kan geven.
Spijt is iets van achteraf. Spijt is dat wrang gevoel wanneer je iets gedaan hebt waarvan je denkt, dat had ik beter niet gedaan. Maar spijt is meer dan dat. Spijt is ook dat ander wrang gevoel. Dat gevoel wanneer je iets niet gedaan had, terwijl je wist dat je iets had moeten ondernemen. De eerste soort had ik gehad, en dat wat ik gedaan had, was voor zover dat toen nog niet gebeurd was, vanaf die avond afgehandeld. De tweede soort moest ik nu gaan voorkomen. De onderneming die ik had moeten uitvoeren, ook al was ze gedoemd te mislukken, gewoon omdat die tweede soort spijt het soort is dat jezelf in stukken rijt. Het soort spijt dat zijn eigen waarde overstijgt en daarna gewoon vervaagd tot pijn. Tot je op den duur niet meer weet waarom die pijn er ooit gekomen is.
En zover zou ik het niet laten komen.
“Hallo, geen zin om iets te gaan drinken morgenavond?”
Ik las het berichtje.
Enkele keren en stuurde het dan maar de nacht in.

 

P

De tram. Met achter mij de nacht en alles wat die met zich meebracht. De stilte, en jouw gezicht.

Een gezicht dat jou enkel bekend is van spiegels en verbleekte foto’s die grootmoeders zo angstvallig koesteren, alleen al omdat de foto’s hen nooit aan een rusthuis zouden toevertrouwen.

Nietsvermoedend was ik met blik en gedachten al vaker bij je geweest. Jij, de soulmate uit dat ene gesprek. Dat gesprek waar duizenden anderen het romantischgewijs zouden bij laten, omdat de waan nu eenmaal sterker is dan wat de werkelijkheid ooit bieden kan.

Ik had je niet verwacht, toen ze daar zo plots aan mijn deur stonden te bellen. Of ik wat eten kon verdragen? Maar of je er was. Daar zo mooi naast mij slapend.

Een niet te verbergen rochel ging uit van je veel te vele sigaretten, al dan niet van mij gerold. En met plezier. De rode korst op je lippen, hoogstwaarschijnlijk afkomstig van de van mij zorgvuldig tussen mijn vertellingen door genipte rode wijn.

Je was mooi daar, zoals je daar lag. Zo eerlijk, zo puur. En hoewel in mijn dromen, onderbroken door jouw bolle wangen, de ruzies hoog opwaaiden, was van storm op jouw slaperige glimlach geen sprake. Je was mooi zo. Zoals je daar lag.

Zoals ik hoopte je nog elke nacht te zien liggen. Zoals ik hoopte dat het nooit zou voorbijgaan.

De martelingen, die iedere omwenteling van jouw kant met zich meebrachten, neem ik er graag bij. Want iedere omwenteling is een kans op iets nieuws. Een kans om vanuit de duisternis in het licht van een zoemende straatlantaarn jouw gezicht opnieuw te zien verschijnen, bijna als in de films, maar dan in ’t echt, zoals dat in geen enkele film voorkomen kan.

De nacht, met daarin jij, zo onbereikbaar als je bent, maar dan dichterbij. Alsof het onbereikbare ook echt tastbaar wordt als je maar hard genoeg probeert. Het zal waarschijnlijk wel voor altijd een illusie blijven, dat die glimlach die je daar zomaar tentoonspreidde, aan mij gericht was. En dat je uitnodiging veel meer was dan wat ik weet dat ze was.

Dat je uitnodiging een uitgestoken hand was,naar mij, die je heimelijk in al je dromen wou toelaten. En dat de tram niet echt het einde zou worden van die nacht, maar dat daar zomaar, want zo ben je, elke nacht een vervolgstuk aangebreid zou kunnen worden. En dat dat geen illusie was, maar werkelijkheid.

Werkelijkheid van de puurste vorm, een vorm waar jij uit bestaat. Zoals je daar zo lag. Zo volmaakt, zo gewoon zoals je bent.

Zoals je waarschijnlijk nooit naar mijn zult kijken, zo lag ik daar. De momenten koesterend en de nacht aftellend. Aftellend naar de tram, die mij zou wegvoeren.

Naar die ander. Omdat de werkelijkheid zekerder is dan het onbereikbare

2 november 2006

zaterdagochtendkip

Zaterdag, de dag waarop wakker zijn kunst werd. De slager floot een liedje en onteigende de kip vrolijk van borst en vleugels. “€5.48”.

Hij werd wakker, te midden de mensen, het gefluit en de vleugels van de zopas vrolijk uiteengereten kip. Even leek de hele beenhouwerij stil te worden en hem aan te staren alsof nu pas duidelijk werd hoelang hij al met die kinderen in zijn kelder zat. Maar er zaten geen kinderen in de kelder en dus ging de rest van de klanten rustig verder met het uit de doeken doen van de dagelijkse gebeurtenissen van Maurice, Marcel en de andere onpopulaire sluitspierproblemen hebbende medebewoners van het rustoord, waar ze allen toch op een dag door de dood zouden opgehaald worden, met of zonder sluitspierproblemen. Enkel de slager stond hem nog zo ergens tussen beteuterd en ongeduldig aan te staren, waarop hij de arme man maar een briefje van €10 in de hand duwde en het daarna op een lopen zette.

Hij hield het snel voor bekeken, dat lopen en net zoals de verse regen nogal snel opdroogt op warme zomerse dagen begon ook zijn ademhaling al snel weer normaal te functioneren. Met de snelle recuperatie van zijn ademhaling besloot hij dan maar op een door auto’s omsingeld bankje, dat meer weg had van een grote bloempot, neer te gaan zitten. Even nog dacht hij aan het boodschappenlijstje dat ergens diep in zijn binnenzak langzaamaan richting vergetelheid zonk, maar daarna viel hij stil. Gedachteloos zat hij daar.

Honderdsten, seconden en uiteindelijk ook uren gingen voorbij. De wit-ziende zon maakte de eerste winterse frisheid wat goed en vormde de perfecte achtergrond voor de immense stilte die door de afwezigheid van andere mensen werd gecreëerd. Het moeten vast geen hoogdagen geweest zijn voor de plaatselijke spar, maar ondanks het langzaam wegkwijnen van zijn boodschappenlijstje kwam het door zijn gebrek aan gedachten niet bij hem op om als goede daad voor die maand, de plaatselijke middenstand eens een hart onder de riem te steken.

Het duurde nog tot het wachten bijna voorbij was eer enkele passanten teken van leven kwamen geven, wat hij op het eerste zicht niet zo meteen doorhad, maar dat zal eerder gelegen hebben aan het feit dat ze achter zijn rug om passeerden en mensen nu eenmaal niet in staat zijn om als uilen hun hoofd 360° te draaien zonder de pijp aan Maarten te geven, dan aan zijn gedachteloosheid.

°

“Dag madamtje.” De bakker glimlachte zijn volledig gebit, inclusief restjes spek en eieren, bloot. Ze moest wel teruglachen. Haar schoonheid verborg de onoprechtheid van haar tandententoonspreiding en stelde de bakker enigszins tevreden. Lopen zat er met die gigantische kater van de dag ervoor niet meer in en dus betaalde ze maar gepast vooraleer de over haar lijfgeur, die meer mee had van een plakkerige toog die dringend een poetsbeurt nodig had, bezorgde oma’s, tantes en andere aanhangsels het al te bont zouden gaan maken.

“Respect begint bij het verzorgen van je leugens.”had haar moeder haar ooit wijsgemaakt en dus was het horen dat dochterlief met nogal een sterke drankgeur gesignaleerd werd de dag nadat ze naar een congres over de verloedering van het kabinet van volksgezondheid was geweest, helemaal niet nodig. Hoe dan ook, ondertussen stond ook zij al met haar niet zo fris ruikende snoet in de wit-ziende zon te blinken.

Denkend. Denkend aan wat ze gisteren weer allemaal had uitgekraamd en ingenomen aan alcoholische en geestesverruimende substanties. Aan de nieuwe en duidelijk onervaren barman, die ze zonder enige moeite rondom haar vinger en bijhorende ring had gedraaid en hoe ze zo alweer eens een nakende financiële crisis had vermeden. Of hoe ze die kerel van vroeger op de wijk professioneel genegeerd had, ondanks zijn hoogstwaarschijnlijk allerbeste bedoelingen en ongetwijfeld aangename sociale dronkenschap.

En uiteindelijk ook gewoon aan niks.

°

Ondertussen zat ook hij daar nog altijd zomaar wat te zitten, gedachteloos, maar met steeds meer beelden die voor zijn ogen op het etalageraam van de plaatselijke lingeriewinkel werden geprojecteerd. Vogeltjes trippelden rustig, maar toch zoveel meer van pluimen en poten voorzien dan hun onfortuinlijke collega die morgen bij de slager, in het rond. Net zoals de enkele voorbijgangers zagen ze hoe hij als een perverse oude man naar de lingerie-etalage zat te staren. Hij wist wel beter. De echte perverten dat waren die gastjes met hun gelkapseltjes en jeansbroekjes die persoonlijk verantwoordelijk konden gesteld konden worden voor het veranderen van vele lieve meisjes vol kwaliteiten en mogelijkheden, in wereldschuwende overgate-sletjes, inclusief klakskes-fanclubs en fuck-me-botjes. Maar als mens op zijn wereld was hij er zich van bewust dat wegens het nog in hun bed liggen van de echte perverten, de minimumgrens voor perversiteit heel wat lager kwam te liggen en zodoende zijn etalagegestaar zich waarschijnlijk balancerend op die grens begaf. Uiteindelijk kon het hem weinig tot matig boeien. In zijn beeldenwereld was de etalage alles behalve pervers.

°

Een knikje, meer niet. Zijn gedachten schoten langzaam en piepend maar zeker op gang. “Hallo, kom erbij.”

Ze lachte, iets meer gemeend dan even daarvoor bij de bakker, maar dat was waarschijnlijk aan het ontbreken van spek en eieren tussen zijn en in zijn lach te wijten. Even nog bekeek ze onderzoekend de rest van het tot parking getransformeerde marktplein, maar wanneer duidelijk werd dat er niemand die dag nog van plan was buiten te komen, ging ze naast hem zitten.

Ze keken voor zich uit en ook in haar perceptie veranderde de lingerie-etalage langzaam in een beeldscherm waarop, voor al wie dat aanging, hun hele gesprek zou worden geprojecteerd .

Maar er kwam niks, geen woord.

Af en toe opende er een mond, die dan even zo open bleef staan, maar daar bleef het dan ook maar bij. Beeld zonder klank.

Twee gekrulde hoofden, de een al wilder dan de ander, onrustig voor zichzelf uitstarend, wachtend op dat ene verlossend zinnetje dat al de verwarring van het voorbije rondgestaar zou doen vergeten. Een simpele: “Hoe haat het nog met je?”, die een hele diareeks van hun beide levens sinds ze uit dat van de ander verdwenen waren zou op gang brengen.

Maar het bleef stil.

 

°

 “Hoe gaat het nog met je?”. Ze draaide haar hoofd. Krulletjes zwaaiden over haar gezicht en stelden bij het halt houden van haar hoofd als professionele theatergordijnen weer die glimlach tentoon.

“Ik heb een nieuwe vriend.”

“Leuk voor je.”

Even dreigde de stilte weer de overhand te nemen, maar hij was vastbesloten geen 2de keer de stilte zijn lot t laten bepalen.

“Nee echt, dat vind ik nu eens leuk voor je. Dat heb je verdiend.” Een cynische ondertoon leek het te gaan halen van de stilte, tot plots een traan de glimlach en daarmee alle cynisme en stilte wist te verdringen.

“Het spijt me.”

15 oktober 2006

1 en al gewandel

Het was één en al gewandel wat ik deed. En het deed er niet toe waarheen. Soms gebeurd het dat om ,door of tegen je wil in iets van je word afgenomen en dan is de enige denkbare remedie wandelen. Na de wandeling spoel je best alles nog eens door met een frisse pint of een van de 18 bestaande soorten Looza en daar moet je het dan mee doen. In deze tijden van terrorisme en ter-hulp-schietende koks is het ongeoorloofd om langer dan een halve dag bij de pakken te blijven zitten. Want er is altijd werk of iets anders om handen.

Het was vreemd wandelen, het “people are strange when you’re a stranger”-gehalte stak ver boven het gemiddelde uit. Maar wegens het gebrek aan bus of trein bleef ik onverwoed doorgaan.

Ergens halverwege vroeg een man me om de tijd en ik vertelde dat ik hopen tijd had maar dat ik er hem geen kon geven omdat ik niet van lafaards hou. Dat het maar een halve waarheid was die ik hem verkocht vertelde ik er niet bij. Ik haat namelijk lafaards, vooral diegene die het lef niet hebben je nog aan te kijken, maar omdat ik niet graag haat -er word al zoveel gehaat- liet ik dat maar in het midden.

Ik dacht ook veel na. Eerst over de vlek op mijn broek en later over hoe het nu verder moest met de wereld. Ik dacht ook over mezelf en wat er gebeurt was. Maar ik raakte er niet uit.

En de mensen keken, van achter de gordijnen of gewoon aan via een openstaande voordeur. Overal zag ik glurende mensjes, meestal oude vrouwtjes van rond de 72 en een half jaar. Waarschijnlijk mompelden ze dat ze het zelf ook allemaal niet meer wisten, maar dankzij de isolatie die dubbel glas biedt ontaarde het collectief gemompel niet in een totale chaos.

Ook in de wagens staarden de mensen. Maar wat meer opviel was hoe verbeten enkele chauffeurs weigerden hun blik af te wenden.

Het kon mij allemaal niet echt raken, want ik wandelde. En ik had trouwens al problemen.

De rest van de wandeling werd afgewandeld en de zoektocht naar de frisse pint kon beginnen.

herinnering

Naast de vervelend zoemende vliegen en hun benen-wijd-openspreidende bloemen brachten de eerste zonnestralen naar jaarlijkse gewoonte ook weer de goudgele en naar meiklokjes geurende koppeltjes met zich mee, die vanaf dan weer samen en onafscheidelijk door de straten en parken van de stad begonnen te dartelen. Op het platteland hadden ondertussen ook de boeren al hun schuren uitgemest zodat onkuise praktijken nooit het verse zonlicht meer hoefden te halen en in het diepste van de hooizolder verborgen konden blijven.

Het was in deze omstandigheden dat mijn pessimisme lichtjes zijn smeltpunt bereikte en ik me zowaar wat vrolijk ging voelen, misschien was dit jaar mijn tijd wel aangebroken om samen met de andere bloemetjes en bijtjes in de wei te gaan spelen. Maar tot het zover was moest ik blijven genieten van het gedartel van mijn collega-mensen.

Hoewel een kleine dosis jaloesie zich al via mijn rode bloedlichaampjes en diepvries-vers griep-virus begon te verspreiden, kon ik er toch vrede mee nemen dat ik nog steeds niet tot het rijk der vrolijk rondhuppelende tweespannen behoorde, het gras zal wel altijd groener zijn aan de andere kant van de heuvel.

Enigzins geprikkeld door het lentense gebeuren begaf ik me blootvoets in de wijde wereld vol zonovergoten kommer en kwel. Mijn pad kruistte lafaards en bedriegers, die je alles zouden ontnemen waar je zelf bijstaat en toch zouden beweren dat het je eigen schuld was en zwarte ekster-achtige vogels die de eieren van echte eksters honderden meters hog de lucht invlogen om ze dan met een luide plets de grond te laten raken en dan vrolijk met hun bekje de eiresten naar binnnezuigen. Maar zelfs al deze zwarte schepselen der natuur was ik gunstig en vergevingsgezind.

Want het werd lente.

23 mei 2006

kippewit-croques

Ze was niet wie hij dacht dat ze was. Dat werd hem al snel duidelijk. Wie ze dan wel was interesseerde hem matig tot niet. Het leek hem onnodig geheugencapaciteit te verspillen aan iets wat er na enkele jaren van pijnlijke herinneringen aan de meid in kwestie en aan alle liedjes die hij samen met haar beluisterde, toch weer uit verwijderd zou worden alsof het er nooit geweest was.
Belangrijker was de deadline die hij en blijkbaar alle andere haastige mensen rond hem leken te hebben met het sluitingsuur van de bakker. Brood was belangrijk die dag, want hij zou voor het eerste keer zijn croque-messieux beleggen met kippewit. Het water kwam hem al in de mond bij de toekomstige lekkernij, maar toch kon het er hem niet toe brengen het op een loopje te wagen.
Het resultaat was er dan ook naar. De laatste bakkerklant kwam net met een medeleven betuigende blik op zijn gezicht buiten en binnen zag hij de bakkerin nog net haar spijt voor het verkopen van het laatste brood gesticuleren voor de rolluiken zich voor zijn neus een weg naar beneden baanden.
Weg kippewit-croques.
Weg zin in iets anders.
Hij besloot toen maar de kortste weg naar het café waar hij al zovele van dit soort mislukte dagen had doorgebracht te zoeken. Wat hem niet zo moeilijk leek, aangezien hij tot hier de kortste weg van thuis uit had genomen en hij de kortste weg van zijn huis tot aan het café geblinddoekt probleemloos kon afleggen. Dat tweemaal de kortste weg soms resulteert in een langere weg dan de echte kortste weg kon hem niet veel schelen. Het klopte voor hem en dat was voldoende.

9 april 2006

... richting huiswaarts toe

Haar door mij nog altijd niet thuisgebrachte geur vulde het nochtans fel naar rook en bier ruikende parochiezaaltje.
Nietsvermoedend danste ze zich een weg heen en weer tussen de aanwezige feestgangers. Ondanks de dikke zonnebril ben ik er bijna zeker van dat ze mij had gezien, wat ook niet zo moeilijk was. Van alle doelloze rondlopende wrakken zag ik er die avond/nacht toch wel het wrakkigst en meest doelloos uit.
Niemand dacht er echter op dat moment nog aan dat haar zachte bovenste ledematen ooit mijn lichaam als een van de te vast te houden objecten hadden beschouwd. Zelfs mij leek die gedachte wat onwennig, hoewel mijn geheugen, dat emotioneel altijd al een van de sterkere onderdelen van mijn persoon had uitgemaakt, dat zwaar tegensprak.
Doelloze wrakken hebben nu eenmaal veel tijd om na te denken, vooral als ze moe zijn en een van de mooiste verschijningen die ze tot dan toe hadden ontmoet, zomaar zonder iets te zeggen heen en weer voor hun neus voorbijparadeert. Dat was ooit anders.
Misschien hebben we elkaar nooit veel te zeggen gehad, dat valt nog te bezien. De belangrijkste mededelingen waren telkens in een stilzwijgen gehuld. Zoals het inzien wat er aan de hand was tussen ons of de zo uit een film geplukte scène in het station waarbij ze met haar pasgeknipte losse haren naar me toe wandelde en met schuldgevoelens in haar ogen, me tijdens de kus op haar wang influisterde dat ze eens wou praten.
Ik had haar daar in dat rokerig naar bierstinkend zaaltje ook niets te vertellen. Het zicht was me die avond/nacht het mooiste cadeau dat moeder natuur me ooit geschonken had. Kijken was het enige wat enigszins doel gaf aan de avond. Nog steeds hopend dat ze ondanks al mijn flaters me plots weer in de armen zou sluiten, en met die ene alleszeggende kus zou verlossen uit de doelloosheid van mijn wrak zijn.
Maar ondanks mijn lange wachten gebeurde het niet. Ik zou haar nog zoveel willen vertellen, of net ook niet.
De avond ging gewoon verder, zoals ook ik, maar dan niet verder, maar stilzwijgend richting huiswaarts toe.

10 januari 2006

fantoompijn

Ik was er, en dat was bijna belangrijker dan het praten met het meisje zelf. Het praten ging sowieso wat moeizaam, ik was niet in een spraakzame bui. Er was genoeg om haar te vertellen, daar niet van, maar uiteindelijk deed het er niet zoveel toe, want ik was er.Ik was waar ik wilde zijn.
"Waar kwam je ook alweer vandaan?"
"Hoh, ergens helemaal onderaan zo, maar dat doet er niet echt toe"
Ze keek even vreemd op, maar wendde snel weer haar blik af en nipte van haar glas rode wijn. Ik denk niet dat ze er echt van genoot, maar dat ze om mij een plezier te doen ook maar een glas rode wijn besteld had. Ze had het niet hoeven te doen, ik was al tevreden met haar aanwezigheid, maar ik kon het haar ook niet verbieden.
"Ik ben nu hier, dat is belangrijker dan waar ik vandaan kom."
Aan haar gezicht te zien was dat niet echt het antwoord waar ze op zat te wachten. Maar ik vond dat ik al genoeg had gedaan wat ze van me verwachtte. Dat deed ik altijd. Zo was ik en dat moest maar eens gedaan zijn. Doen wat anderen van je verlangen te doen of waarmee je weet dat ze tevreden zijn kan kwalijke gevolgen hebben, want je houdt het niet vol. Plots lukt het je niet meer en val je uit je rol. De pijn die je dan veroorzaakt kan ik me niet echt inbeelden, ik heb hem enkel maar zelf veroorzaakt, maar de pijn die het veroorzaken van die pijn met zich meebrengt wel.
Misschien woog de pijn die ik door het veroorzaken van die pijn ooit geleden had wel meer door dan de pijn die ik zelf veroorzaakt had, of misschien was die pijn enkel maar een schuldgevoel dat net als alle schuldgevoelens te laat kwam en beeldde ik me de pijn die haar pijn destijds met zich meebracht alleen maar in. Maar dat kan ik nu nog onmogelijk te weten komen. Ze zou het me zeker niet meer willen zeggen en ik zou het waarschijnlijk ook niet meer durven te vragen.
"Ben je er nog?" trachtte ze te vragen. Maar ik had al positief geknikt alvorens ze haar vraag had afgemaakt. Ik had het verbod gekregen van een vriendin om het tegen potentiële liefjes over ex-liefjes te hebben en dus verzweeg ik maar dat ook op dat moment mijn gedachten afdwaalden naar dat andere meisje en de pijn die haar pijn, die ik veroorzaakt had, met zich meegebracht had. Maar ik vrees dat ze mij wel een beetje doorhad.
Het had me veel moeite gekost om haar naar het restaurantje mee te krijgen en dat ik uitgerekend op dat moment met mijn gedachten elders zat, vond ik van mezelf eigenlijk onbeleefd, maar het was zo. Ik was er nog, en dat breidde ik dan ook maar als een vervolg aan mijn positief geknik dat de rest van haar vraag een beetje overbodig had gemaakt.
"Ik ben er nog."
En ik ben er nog een tijdje gebleven. Toen ik uiteindelijk opstond en mijzelf verontschuldigend wegliep had ik alles uitgedokterd en was ik vastbesloten het haar te vragen. Ik had het recht om te weten of de pijn die haar pijn met zich meegebracht had terecht was, dacht ik. Maar nu we zo weer wat verder zijn, ben ik daar niet zo zeker meer van. Het was haar pijn, en ik moest maar gedaan hebben wat van mij verwacht werd, en er niks om gegeven hebben. Dan had haar pijn heus geen pijn voor mij meegebracht. Of had ik daarvoor in de eerste plaats opgegeven om te doen wat van mij verwacht werd, om later niet nog eens te doen wat van mij verwacht werd?

29 december 2005

blauw (nog een oudje om het af te leren)

Het was december. Niemand in het dorp had oog voor de sint, die in een bruine kroeg zijn welverdiende afsluiter van wat alweer een geslaagde tournee kon genoemd worden zat te drinken. Iets verderop streek een hemelsblauwe pauw, op een al even oogstrelend blauw meer neer. Her en der dreven groote brokken van het zuiverste ijs ter wereld. Maar de pauw had geen problemen om het enige aanwezige eendje te vinden en met een driekwarts-pootslag kopje onder te duwen. Moedig zwom de eend zicht een weg terug naar boven. Tevergeefs weliswaar. De pauw keerde terug en sloeg deze keer wel raak. Enkele minuten later veranderde eendenbloed van de donkerste soort het meertje van het helderste blauw tot een grauw paars. Maar het kon de zich wijdvleugels voortbewegende pauw niets maken. Ook de sint intereseerde zich niet in het voorval. Hij snoof nog eens aan de in zijn baard verdeelde druppels gouden gerstennat, en bestelde zich een verse blonde leffe. "Dag beste barman" begon de sint," Kan ik nog een blonde leffe krijgen?", vroeg de sint met lichte draaiingen in het hoofd. "Natuurlijk" De pauw zweefde langzaam verder, zonder ook maar enig gebaar tot richtingsverandering te laten blijken. Doch cirkelde hij nog steeds rond het paarse meer. Pauwen hebben nog nooit uitgeblonken in het vliegen. Even verderop zag de pauw een zwarte gedaante zich vooruit trekken aan allerhande struikachtige voorwerpen. Het was een niet alledaags gezicht. Hoe meer de pauw zich richting beneden voortbewoog, hoe meer de felle zwarte stip afstak op de witte uitgestrekte vlakte. Het was geen zicht, en de pauw was dan ook meer dan opgelucht toen de zwarte stip zich in de bruine kroeg binnengesleurd kreeg. Binnenin de kroeg zat nog steeds de sint in zijn paarse skioutfit van zijn blonde leffe te genieten. Door zijn langzamerhand meer en meer sluitende ogen zag hij vaag de gestalte van zijn zwarte piet. Hij schrok een beetje en hij riep zijn naam. "Gerard" riep hij. Wat natuurlijk zijn echte naam niet was. Gerard was zijn artiestennaam. Zijn echte naam weet niemand, zelfs de sint niet, die hem honderden jaren geleden als een golem uit zwarte klei toverde. Maar iedereen noemt hem steeds piet, dus doe ik dat voor het gemak ook maar. "Gerard," herhaalde de sint nog maar eens, "Zet u aan de toog en drink een leffe met me mee." De sint bestelde een leffe, en bestelde er toen maar meteen nog een, want op een been kun je niet staan. Ondertussen zette de pauw zijn reis naar het onbekende verder, pikte nog wat eenden dood onderweg, en hield even halt aan een vijvertje niet zo heel ver van hier. Terwijl hij enkele vissen tot zich nam, maakte hij nog wat pauwerige geluiden. Het was een steeds prachtiger wordend tafereel, dat de sint nog steeds niet kon boeien. In plaats daarvan dronk hij zich samen met Piet, of Gerard, noem hem hoe je wil, een bruine leffe, want de blonde waren op. En het was nog steeds december...

koffie

"Uw koffie mijnheer Brack." Jaren hadden hem gescheiden van het moment dat hij deze zin dagelijks rond een uur of vier zou horen. Dat deze tijd zou komen had hij altijd al geweten, dat hij er nu al was kon hij alleen maar als een soort van bewijs zien van de relativiteitstheorie die Brack zelf meende uitgevonden te hebben -althans in deze vorm- maar die hij zelf eigenlijk nooit echt begrepen had. De koffiemevrouw kwam zijn zelfheringerichte kamer binnen. Haar wit serveuse-uniform stak af tegen de donkerrood geschilderde muren, maar daar leek zich ondertussen niemand nog aan te storen. Het was ook alweer een tijdje geleden dat iemand anders dan het personeel of Brack zelf de kamer had binnengekomen en die leken allemaal niet veel meer te malen om het ietwat vreemde interieur van de rusthuiskamer waarin Brack zijn laatste jaren, maanden en dagen sleet.
Familie had Brack al lang niet meer en de laatste van zijn vriendinnen zette haar wekelijkse bezoeken stop toen ze van diens buurvrouw vernam dat hij naar het rusthuis zou verhuizen. Brack stond op. Zijn koffie zou hij ook die middag weer niet uitdrinken. Koffie had hem nog nooit echt kunnen bekoren, maar uit vrees dat dan ook het dagelijkse in stilte gehulde bezoek van de koffiemevrouw zou verdwijnen had hij hierover nog nooit een opmerking gemaakt. Op zijn behaarde sloffen wandelde hij richting de gootsteen om daar zoals gewoonlijk zijn kop koffie uit te gieten en de laatste restjes koffie die op de gootsteen dreigden te blijven hangen weg te spoelen. Een rustig maar gedurig deuntje vulde de kamer en om te testen of zijn stem het wel nog deed sprak hij op een zachte manier zijn naam uit. "Brack." Er gebeurde niets. Hij bleef wat ronddwalen en bekeek aandachtig zijn collectie zandsoorten die hij in zijn jaren voor het rusthuis had verzameld. Echt indrukwekkend was deze collectie niet, maar dat stoorde hem niet. Hij had de grootste collectie staaltjes zand van alle mensen die hij kende en dat leek hem voldoende. Brack's wereld bestond alleen maar uit mensen die hij kende. Van alle andere mensen waarvan hij dankzij de krant of tv van hun bestaan afwist moest hij niks hebben zolang ze zich niet kenbaar maakten. Hij had lang genoeg valse idolen aanbeden. Posters van alle grote rocksterren hadden tot ver in zijn dertiger jaren alle muren van zijn huis ingepalmd. Tot hij op zijn negenendertigste besefte dat deze posters behalve het verkleuren door de zon en de rookwolken afkomstig uit zijn sigaretten altijd maar levensloze stukjes papier zouden blijven en dat hij zich maar eens moest bezighouden met zijn eigen leven te organiseren in plaats van de hele tijd op te kijken naar wat die andere drugsverslaafde seksmaniakken hadden uitgespookt voor ze aan hun negenentwintigste stierven aan een of andere overdosis.
Het leven had ook Brack niet echt gespaard, maar om de een of andere kan heeft het hem altijd gezegend met het karakter om van die smeerlapperij af te blijven. Behalve dan die ene keer dat de kleinzoon van de onderbuurvrouw zijn joint had moeten uitdoven toen zijn ouders het rusthuis uitgewandeld kwamen en Brack, die alles vanachter zijn raampje had gadegeslagen, hem na de dagelijkse koffiepauze heimelijk was gaan oproken. Hij vond er niks aan en is toen maar gaan slapen.
Alcohol daarentegen was Brack minder vreemd. Soms had hij zich afgevraagd of dat de reden kon geweest zijn waarom hij op zijn jonge leeftijd in een rusthuis zou kunnen opgenomen zijn, maar meestal stak hij het dan maar op het feit dat ondanks de vergrijzing van de bevolking in zijn gemeente nu eenmaal niet veel oudjes waren en er dus plaats zat was voor andere verworpenen uit de maatschappij. Door de jaren heen was alcohol de enige zekerheid die er altijd geweest was. Het had hem geholpen bij liefdesverdriet, overlijdens en andere moeilijke periodes, maar ook bij de leuke momenten leek het alsof alcohol hem steeds weer vooruithielp. Het enige nadeel waar hij na lang denken op kon komen was de kostprijs, maar Brack had nooit veel om geld gegeven. Volgens hem moest een komeet de wereld vernielen en zou uit de as van de wereld, waarin hij toch nooit iets aan overgehouden had, een nieuwere wereld geschapen worden naar utopisch beeld, waarin men geen geld kende en goud als speelgoed en versiering voor de dwazen werd gezien. Hij had zo zijn twijfels bij die komeet en het heroprijzen, maar zijn nieuwe wereld vond hij een prachtig idee, waar hij in zijn jonge jaren dikwijls, meestal tevergeefs, voor geijverd had. In Bracks eigen leefwereld hechte men niet veel belang aan dit soort theorieën die eerder zelf als versiering voor de dwazen gezien werden en in de academische wereld, waarin Brack als wereldverbeteraar verplicht voelde zich te wagen, werden personen die met theorieën van 500 jaar geleden stonden te zwaaien als onbekwaam beschouwd. Het heeft dan ook niet lang geduurd voor Brack zich met zijn ideeën terugtrok in zijn eigen droomwereldje. De wereld waarvan hij dacht dat hij bedoeld was om er zelf in geboren te worden, wat om een of andere duistere reden niet gelukt was. De wereld die hij zelf had geschapen, omdat de mens nu eenmaal graag wil leven in een wereld die uit zijn eigen hand geschapen werd.
Maar Brack was geen dromer. Hij had gewoon al op vroege leeftijd ingezien dat de wereld niet de geschikte plaats was voor iemand als hij. Maar omdat hij er nu eenmaal was, of net niet, had hij er met plezier zijn ideale wereld bij gedroomd. Dromen is als kind helemaal niet moeilijk, maar Brack had er zich toen veel te weinig mee beziggehouden en was er daarom in geslaagd om de capaciteit om te dromen met zich mee te dragen, zodat hij later, wanneer het dromen helemaal niet meer vanzelf lijkt te gaan, opnieuw kon genieten van het nummer twee uit zijn top-tien van favoriete capaciteiten die kinderen bezitten. Hij was hier enigszins wel trots op, maar veel had het hem nog niet geholpen. Het waren altijd de verkeerde mensen die hem hiermee voor gek verklaarden, zodat hij op den duur maar zweeg over zijn droomwereld. Volgens hem hoorde het waarschijnlijk wel zo, en hij had er zich dan maar rustig bij neergelegd.
"Mijnheer Brack?"
De deur ging open. Hij had al door dat er iets niet klopte, want niemand had het voorbije jaar nog iets anders tegen hem gezegd dan "Uw koffie mijnheer Brack." , maar hij wilde niet tonen dat hij bang was geworden voor andere zinnen.
"Ik was uw post vergeten af te geven." De mevrouw legde een spierwitte brief die al evenveel afstak tegen de rode achtergrond als zijzelf op het kastje naast zijn deur. Brack bleef nog even stijf zitten tot de verpleegster de deur met een zachte kwak achter haar dichtgooide en begon dan panikerend in het rond te kijken. Het was van die keer dat hij afgewezen werd door het buurmeisje geleden, dat zo'n simpele zin hem nog had doen schrikken. Hij was toen nog jong en alle bronnen vertelden hem dat ze nog steeds stapel op hem was. Volgens Karel, die toen nog zijn vriend was, maar dat later om onduidelijke redenen niet meer bleek te zijn, was ze zo gek van Brack dat ze heimelijk een filmpje met een liefdesverklaring had gemaakt dat ze niet durfde af te geven uit schrik uitgelachen te worden omdat dat op een bepaalde leeftijd nu eenmaal niet meer hoorde volgens de maatschappij zoals zij hem zag. Achteraf gezien vond Brack het wel ergens logisch dat ze niets meer van hem moest weten. Hij zou ook geen respect meer hebben voor iemand die hij doodgraag zag als die hem in een benevelde toestand haar liefde zou verklaren om dan de dag erna te constateren dat ze naast de verkeerde kerel wakker geworden was. Maar het was op het moment zelf toch wel hard aangekomen.
Brack hoopte dat hij ook bij deze brief zou inzien dat zijn schrik ongegrond was.


Wordt hopelijk nog meer vervolgd...


29 maart 2005

aanstekers bij de vleet

Het was een mooie zomeravond geweest toen hij ,strompelend door het steentje in zijn schoen, bij een reusachtige stadskaart die zich aan de achterkant van een al even indrukwekkend en verlicht reclamepaneel bevond, stilhield. Het reclamegedeelte van het paneel was voor de gelegenheid van een of ander benefiet volgeplakt met dode en waarschijnlijk niet eens echte vliegjes en een leek had waarschijnlijk niet eens opgemerkt dat er zich tussen de dode vliegjes ook enkele levende soortgenoten hadden gevoegd. Waarschijnlijk kwamen die kijken wat die honderden in hun facetogen andere levende collega-vliegjes daar zaten te doen. Maar zolang biologen niet aangetoond hadden dat vliegjes een bewustzijn hadden wou hij met deze veronderstelling geen rekening houden en zonder zich nog af te vragen voor welk benefiet een reclamepaneel vol vliegjes dan wel zou kunnen zijn, zette hij ,dit keer zonder het strompelen omdat het steentje succesvol uit zijn schoen verwijderd was, zijn wandeling verder.
Uit zijn schoudertas die hij na er eerst een nieuwe gekocht te hebben in precies dezelfde winkel als deze hersteld had, haalde hij een soort foldertje, waarvan hij zonder enige moeite kon aflezen dat zijn bus er eigenlijk al had moeten zijn. Dat hij nog niet gepasseerd was wist hij vrijwel zeker, doordat hij al sinds 5 minuten voor het tijdstip dat de bus aan de halte moest zijn, langs de straat wandelde waarin de bus moest passeren om aan de halte te raken.
Hij besloot dan maar even te wachten en gooide nog een glimp naar het met vliegjes gevulde reclamepaneel. Deze glimp werd echter plots onderbroken door de veel te grote vlam die bij het aansteken van zijn sigaret uit zijn aansteker, pal voor zijn neus en ogen, opdoemde. Bij de paniekreactie die daarbij volgde had hij in een beweging die stookte met de bewegingen volgens de wetten van Newton, zijn aansteker in de grond laten vallen.
Tijdens het bukken keek hij halverwege op naar de aankomende bus en dat was voor een bliksemsnel klein mannetje meer dan genoeg om de aansteker van onder zijn neus weg te graaien en het op een lopen te zetten.
Toen hij zich bij het rechtkomen realiseerde dat hij snel zou moeten lopen om de aansteker alsnog te heroveren vreesde hij even voor het ergste. Maar toen hij de situatie aan de buschauffeur uitgelegd had mocht hij van hem z'n laatste sigaret die hij nog kon aansteken (wegens het niet meer in bezit zijn van een aansteker) nog oproken, als hij maar bij de deur bleef staan en de rook door het piepkleine raampje naast de deur uitblies, wat natuurlijk geen enkel probleem vormde.

Na een uurtje op de bus en nog kwartiertje wandelen kwam hij uiteindelijk thuis aan, alwaar hij door een acute vermoeidheid niet eens opmerkte dat zijn vrouw die avond nog niet thuisgekomen was.
Pas toen hij de volgende morgen na een kwartier wandelen terug op de bus zat merkte hij dat er die morgen bij het ontbijt een belangerijk atribuut afwezig was. Veel vragen stelde hij er zich niet bij, het ging namelijk al een tijdje wat minder tussen hem en zijn vrouw.
De week ervoor nog had hij haar betrapt toen ze de postbode probeerde te verleiden. Ondanks het korte en naar het -zich in flesjes met klaprozen bevindende- parfum geurende rokje had de postbode de boodschap niet zo goed begrepen. Toen ze met haar handen vol post door een subtiele beenbeweging haar rokje tot over haar slipje en ergens tussen buik en t-shirt had gekneld, trok hij het enkel weer op zijn plaats, zonder daarbij de gehoopte passionele aanraking te veroorzaken.
De rest van de dag had op de bus en tussen zijn stapels papieren doorgebracht en enkel even onderbroken om van en welverdiende lunchpauze te genieten.

Ook die avond kwam de bus enkele minuten te laat aan, maar van het aansteker-stelend mannetje was die avond geen spoort te bespeuren. Waarschijnlijk was het een gelegenheidsdief geweest die op die bewuste avond zonder aansteker zat en zonder er dieper op in te gaan stapte hij de bus in. Tot zijn grote verbazing bleek de traditionele buschauffeur van de bus die hem elke avond weer van zijn werk naar huis bracht vervangen door een kleiner exemplaar. Vooral dat laatste gegeven deed even vragen bij hem oprijzen. Maar een fractie van een seconde later bevond hij zich toch op het eerste bankje dat hij tegen kwam op de weg door de bus. Van hieruit kon hij in het licht van het met vliegjes gevulde reclamepaneel de rechterkant van het kleine buschauffeurtje nog net zien. Eenmaal vertrokken verschool de bewuste rechterflank zich in een wazige duisternis. Langs het traject van de bus doken af en toe gelijkaardige reclamepanelen (zij het zonder vliegjes op), maar door de snelheid van de bus werd de buschauffeur gedurende een kwartier niet meer genoeg belicht om hem nogmaals het zicht op zijn rechterflank te gunnen.
Na een kwartier begon de buschauffee-ur enkele vreeme bewegingen uit te voeren die even later het uithalen van een sigaret bleken te zijn.
Tijdens het aansteken van de sigaret daarentegen werd het gezicht van de buschauffeur wel weer opgelicht, maar werd ook duidelijk dat het kleine buschauffeurtje niemand minder dan het kleine dievetje van de dag ervoor was.
Langzaam raapte hij al zijn moed tesamen en ging naast het kleine mannetje staan.

Zijn vrouw is die avond niet thuisgekomen. Net zoals hij overigens.

21 februari 2005

wacht

Na alweer een blunder in de medische wereld te hebben begaan begaf ik mij schoorvoetend naar het dichtstbijzijnde cafeetje om er een pint te drinken. De weg was lang en hoewel er geen eind aan leek te komen, kwam het er toch.
Stilzwijgend haperde ik voor ik de met veel tralala bedekte klink een duw gaf en alzo de deur voor me opende. Ooit hoopte ik binnen te raken via een vriend of liefje, maar besefte ten volle dat het voor de deur blijven staan wachten behalve een verkoudheid tot niet veel zou leiden.
Eenmaal binnen kwam een geur van drank en andere cafétoebehoren me tegemoet. Maar desondanks nestelde ik me in een hoekje van de toog.
Ik dacht aan hoe stom ik wel was en dat ik niet zo asociaal mag zijn tegen mensen die ik liefheb. Ik dacht zelfs even dat je nooit asociaal mocht zijn, maar dan bedacht ik me dat je om kwart voor drie heus niet hoeft te reageren wanneer Jean-Pierke je voor de zoveelste keer (maar nog steeds met dezelfde trots) zijn palm-petteke toont.
Neen, asociaal zijn hoort niet. Het is een makkelijke manier om problemen van enige omvang over sociale relaties en andere moeilijkheden te ontlopen. Het gebeurt veel dat ik mensen ontwijk, maar telke male heb ik nadien last van een onmetelijke pijn aan mijn geweten (als dat al bestaat?). Er zijn veel dingen die zo'n pijnstoten kunnen veroorzaken, maar het besef dat je uit angst gewoon rond je probleem heen wandelt zorgt toch wel voor een serieuze kras op je ziel (als dat al bestaat).
De kras op mijn ziel was nog vers en het bloed druppelde er nog met volle teugen uit toen ik aan de andere kant van de toog een man zag zitten. Hij staarde verdwaasd en zonder veel aandacht te schenken aan het vloeitje en de halve gram tabak die even later zijn sigaret zou gaan vormen rond, alsof hij door Boorman zelf gelijmd was. Toen hij toch even zijn toekomstige sigaret een blik gunde merkte hij het plukje tabak op dat op zijn broek was geland. Hij veegde het af, keek even rond en liet na een binnensmondse vraag een ander plukje tabak uit zijn sigaret naar zijn broek vluchten. Even glimlachtte hij. Maar daarna herviel hij weer in zijn gelijmde blik.
Ik vroeg me af of hij al eens iemand bewust en tegelijk ook onbewust had ontweken. Niet dat hij er zo uitzag ofzo, neen, hij zag er eerder gelijmd uit. Maar toch. Doet niet iedereen dingen soms dingen die hij niet wil doen alleen maar omdat het de makkelijkste oplossing lijkt op het eerste moment? Zelfs op het tweede moment lijkt het nog de beste oplossing want een geweten werkt een beetje als een van de betere stuurlui met dat verschil dat het steeds te laat komt. Een beetje zoals een trein in de haven, hoewel die dan eerder geneigd zal zijn op tijd te komen wegens het gebrek aan passagiers (als er al treinen rijden in havens).
Ik denk het wel.
Ik bestelde ook een pint. Want daarvoor was ik in de eerste instantie het café binnengestapt.
Daarna zou ik het wel weer buitenstappen dacht ik. Maar zelfs met die pint voor mijn neus bleven die krassen op mijn ziel zich gestaag maar zeker dieper en dieper kerven.
Voor ik het wist was de pint halfleeg en de klok halféén. Zonder al te veel denken stond ik op en dronk ik de andere helft van mijn pint uit.
Ik stapte buiten en begon als een halve gek te lopen. De andere gek met mij meesleurend rende ik richting de plaats waar zij straks zou gaan passeren om na de welverdiende pauze haar werk te hervatten. Het toeval (als dat al bestaat) wilde dat ook ik daar werkte, zij het op een ander verdiep.
Ik was vastbesloten de krassen te bedekken met dikke hansaplast-pleisters en mijn asociale gedrag bij de kap over de haag te gooien en zou voor haar neus plots uit het niets opreizen om een gesprek van jewelste aan te knopen. Tijdens de korte wachtperiode die op die gedachte volgde probeerde ik voor te lezen uit een boek, maar wegens het gebrek aan aanhoorders en concentratie gaf ik ook dat op. Gespreksonderwerpen flitsten van tussen de grassprietjes rechtsreeks mijn hoofd binnen. Ik was vastberaden haar met mijn mond halfvol moed en tanden te verblijden door de krassen in mijn ziel weg te strijken en zodoende haar te geven waar ze recht op had. Iedereen heeft recht op een gesprek met mij. Behalve Jean-Pierke dan, want een recht kan niet gelijkgesteld worden aan een gewoonte (of toch niet als het over palm-pettekes gaat).
Dat moet ook die oude man met z'n hondje gedacht hebben toen hij om een vuurtje vroeg. Ik gaf hem het gevraagde vuurtje, de extra warmte die hij erbij kreeg was graag gegeven. Maar toen ze rechts in mijn gezichtsveld al zachtjes met een collega pratend voorbij marcheerde, had ik even zin het vuurtje met warmte en al potdood te blazen. Ik deed het niet en voelde hoe de reeds gedeeltelijk genezende krassen transformeerden in kanalen vol bloed en zelfbeklag.
Ze had me gezien en zelfs met al die goede bedoelingen die als op een vuilnisbelt in mijn hoofd verspreid lagen had ik het weeral eens gedaan. Het kwam tot voor kort niet meer in me op de man omver te lopen en zijn hond onder mijn nieuwe schoenen (in de solden gekocht) tot een soort gehakt te herlijden om alzo haar nog in te halen en haar met bolrode wangen een gesprek aan te bieden waarvan ik niet wist over wat het moest gaan.
Ik ben dan maar teruggerend naar het café waar ik kort daarvoor nog zat, tot groot jolijt van de cafébaas die graag de pint die ik zo gulzig binnengoot betaald had gezien.

20 februari 2005

busrit

Het was een eigenaardige rit geworden deze morgen op de bus. Verschillende losstaande verhalen hadden in mijn denken een kruispunt gevonden op deze dode woensdagmorgen. En ik had te laat gereageerd om een mevrouw te helpen om haar kinderwagen uit de bus te dragen. Ik was nooit een snelle jongen geweest en waarschijnlijk speelde men eigen verlegen ik me weer parten. Toen de vrouw in kwestie opstond had ik eerst beginnen denken waarom ik die mevrouw wou helpen.
Eerst dacht ik aan beleefdheid. Maar dan vreesde ik dat ik alleen maar indruk zou willen maken op het mooie meisje dat net op het bankje bij de deur zat, en dat wou ik niet.
Ik wou geen indruk maken denk ik.
Of misschien net wel, maar dan toch niet omdat als ik indruk wou maken het te duidelijk zou zijn dat ik indruk wou maken en dan door de mand zou vallen.
Hoedanook, voor ik er de kans toehad was het mevrouwtje in kwestie al afgestapt en waren we al twee haltes gepasseerd.
Het mooie meisje was ik alweer even uit het oog verloren, er bestaan wel meer mooie meisjes in deze wereld dacht ik en hoewel ik al van enkele mezelf had wijsgemaakt dat zij de ware was, ben ik toch steeds weer van die gedachte moeten terugkeren. En terecht.
Een ware liefde bestaat niet denk ik, die komen enkel voor in dikke boeken en verhalen in de flair.
In het echte leven ligt dit alles veel simpelder. Je krijgt interresse in iemand, praat ,gaat eten, gaat ermee naar bed. Daarna is zij de ware, tenzij er plots ruzie ontstaat over geld en dan ga je scheiden en doe je het hele proces over met iemand anders.
Ik heb altijd gedacht dat ik een romanticus was. Maar bij nader inzien ben ik alleen maar een romanticus tegenover mensen waarmee ik geen relatie wil beginnen. Waarschijnlijk komt dit omdat bij die mensen niks bewezen moet worden, of toch minder dan bij een eventuele toekomstige partner.
Nog steeds werd het mooie meisje uit mijn gedachten verbannen en daarom besloot ik om mij even om te draaien en haar aan te kijken. Blijkbaar had ze me ook in de gaten of was ze enkel aan het dromen en gebruikte ze mijn rug als beeldscherm.
Ik gok op dat tweede want ze schrok wel een beetje toen ik haar recht in de ogen keek. Ik had het ook helemaal niet zo bedoeld, ik kijk namelijk zelf niet graag in andere mensen hun ogen. Naar het schijnt ben je dan een schijtluis, maar ik vind dat mensen die je altijd recht in de ogen kijken dominerend lijken. En ik heb het niet zovoor mensen die mij willen domineren. Meestal hebben zo'n mensen een groot gedacht van zichzelf en ik heb het eerder voor de simpele zielen op deze wereld.
Zoals die man zaliger die net begravan werd toen de bus aan de halte voor de kerk stopte. Op drie mensen en een priester na was de kerk leeg, en ik kon me zo voorstellen dat wanneer men "afscheid van een vriend" liet afspelen de man zaliger's drinkebroeder een dikke traan over zijn wang zou laten rollen.
Ergens vond ik dat wel erg. Toen Boudewijn stierf stonden daar duizenden mensen, die die man niet eens gekend hebben. Maar als een man die waarschijnlijk heel z'n dorp kende sterft komt er geen kat.
Ergens vrees ik dat dit soort taferelen eigen zijn aan deze wereld. Ik zou er me wel graag tegen verzetten, maar als overtuigd atheïst heb ik mezelf gezworen dat ik nooit het heiligdom van diepgelovige mensen mag verstoren.
Ik heb veel respect voor sommige gelovigen, voor hoe zij steun vinden in hun lieve God en hoe zij zich samen met Hem zich doorheen hun eigen miserabele leventje trekken.
Maar ik kan er niet in geloven, vind ik.
De bus was ondertussen aan de eindhalte gekomen en het mooie meisje was er als de bliksem vandoor gegaan om zo nog op het nippertje haar trein te halen richting de rest van haar leven.

treinticket

'Wie was die vrouw achteraan in de zaal?'
°
Ik was ooit onderweg naar huis. Men huis was gelegen in de dichte omtrek van het station, wat ik persoonlijk wel handig vond als rijbewijsloze mens.
En in dat station zag ik haar voor het eerst. Ze had me al haar krant lezend doen struikelen over haar been dat lichtjes over haar ander been op en neer bewoog .
Toen ik daar even op de grond lag en ze vroeg of het wel nog goed met me ging, begonnen allerlei scheldwoorden vanuit men maag naar men hoofd te stijgen, waardoor ik lichtjes duizelig werd. Dit gevoel werd menig maal versterkt toen ze me ietwat van medelijden gevuld aankeek.
Vanaf die dag heeft ze me elke dag met die ietwat van medelijden gevulde blik aangekeken.
Sara hoefde het niet te weten. Daarom probeerde ik zolang mogelijk in een waarheidsgetrouwe stilte te baden.
°
'Was dat nu die geheime vriendin van je?'
'Maar schat toch, je weet to...'
'Wat weet ik? Dat die slet van je, je zo graag ziet dat ze zelfs op de dag van je huwelijk met een andere vrouw je niet kan missen?'
Ik slikte even, en probeerde in men met stilte gevulde bad te verdrinken.
Verdrinken in bad is de moeilijkste manier om zelfmoord te plegen, omdat je volgens onderzoekers steeds weer in een reflex naar lucht probeert te happen.
Ikzelf vond geen lucht meer, alles wat ik ademde was dood en zou mezelf enkel en alleen maar dieper in het met stilte gevuld bad duwen.
°
Het had me nochtans veel moeite gekost om in haar gezichtsveld te komen.
Ik onderging verschillende mislukkingen voordat ik al lezende haar aandacht trok.
Ik was in die tijd nog een fervent lezer, en omdat zij dat ook wel soms was achterhaalde ik via het computerbestand van de plaatselijke bibliotheek welke lec- en literatuur haar allemaal al bekoren hadden.
Pogingen om via yoga lessen in haar leefwereld binnen te dringen waren allemaal tevergeefs geweest.
Maar het boek werkte.
Op die bewuste 2 april zag ze me zitten op men favoriete aprés-diner-plekje. Ik had haar al opgemerkt, maar zij mij niet.
Toen ze dat uiteindelijk wel deed stevende ze als een vampierenjager die net dracula zag in de delhaize bij mij op de hoek, die trouwens gesloten was die dag, op me af.
Ze riep iets in de trant van 'hé daar' vanuit de verte.
Eenmaal dichterbij vroeg ze of ik dat boek nu eindelijk eens wou terugbrengen naar de plaatselijke bibliotheek van haar gemeente en dat ze al weken wacht tot iemand het terug zou brengen. Dan werd ze even stil, maar aan de rimpels op haar voorhoofd te zien was ze mijn voorlopige boete aan het berekenen als ik het boek de dag nadien in zou leveren, want op 2 april was de bibliotheek om familiale redenen van de bibliothecaris gesloten.
Nog net voor ze het magische bedrag van 24€ riep, begon ik haar uit paniekreactie voor te lezen uit het desbetreffende boek.
'24€'
Wat er daarna gebeurde is geschiedenis, vind ik zelf toch.
Een vriend van me die in die tijd nog geschiedenis studeerde beweerde dat iemand die een meisje waarvan hij op allerhande manieren in haar leven had proberen te raken twee uur zit voor te lezen uit haar favoriete boek, nooit in de analen van de geschiedenis kon terechtkomen.
Het jaar daarna is hij gestopt met studeren en beginnen werken in een klein fabriekje in het Belgische Lille (niet ver van de Nederlandse grens).
Ik daarentegen zat een jaar later alweer voor te lezen aan wat vanaf een half jaar na deze feiten mijn verloofde genoemd moest worden.
Het was een gewoonte geworden om elk jaar op die 2de april haar uit haar favoriete boek voor te lezen.
°
'Nou wat zit je daar nu te zitten met je mond vol tanden? Spreek dan toch!' Ik dacht even na, maar kwam niks meer te weten dan ik op dat moment al wist.
Ik zweeg in alle talen verder.
°
In al die met medelijden gevulde dagen liep niet alles van een leien dakje. Ik moest zelfs men werk opgeven om haar elke dag te kunnen zien.
Ik ging werken bij de nmbs en verkocht haar elke dag een treinticket waar in lelijke (bijna uit een dokters handschrift gestolen) krabbels de uren van mijn pauze op vermeld waren.
Die uren kwamen elke dag min of meer overeen, maar ik wilde alles onder controle hebben.
Zodat ik elke keer na de dagelijkse leukste pauze van de dag en de koffie die zij steeds meebracht van bij haar thuis omdat niemand het zou merken, haar kaartjes die ik eerder die dag van mijn dagelijks gekrabbel voorzag in de papierversnipperaar stopte.
Daarna vertrok ze steeds op het zelfde tempo met het andere treinticket (dat zonder krabbels, want die kaartjesknippers van tegenwoordig zien alles) via de geheime deur van de toiletten langs waar ze ook telkens binnengeslopen was.
Om nog meer vat op de situatie te krijgen controleerde ik doormiddel van een black-light ook steeds opnieuw men eigen kleren en bureau.
°
Ik kreeg langzaamaan rimpels door mijn lange aanwezigheid in dat met stilte gevulde bad maar nog steeds kwam er geen zinnig woord bij me op.
Merk op dat zinnige woorden je altijd op het verkeerde te binnen schieten, zoals tijdens sex op kantoor of in lege bushokjes.
'Komt er nog wat van?'
°
Enkele 2 aprillen (heeft april een meervoud?) later had ze het me gevraagd. En hoewel ik er totaal geen zin in had legden we onszelf een trouwdatum op door onze eerste en jammer genoeg ongeboren dochter te verwekken.
We hadden beter moeten weten toen we dachten dat roken uiteindelijk wel geen kwaad zou kunnen voor de kleine Merlinde, want zo zou ze geheten hebben, en dat ze later toch zelf zou roken.
Het had ons geen goed gedaan, dat verwekken. En toen het duidelijk dat ze nooit her rijk der levenden zou halen is het met onze relatie zeer snel bergaf gegaan.
°
Ik werkte me te pletter, en deed overuren dat het geen naam had.
Overuren hebben ook geen naam, en tijdens mijn overuren nam ik dan ook constant pauze.
Elke dag bezocht ze me tijdens die pauzes.
Het waren harde pauzes.
Leder en handboeien, voorlichting en achterste mislampen.
°
'Was het daarom dat je na Merlinde al die overuren deed? Om met een ander te rondscharrellen?'
Ik dacht even na over de fout in haar zin, maar vertikte het haar te verbeteren.
'Dan had je maar meteen je rostharige slet ten huwelijk moeten vragen!'
°
Ik wou nooit trouwen, maar toen Sara enkele maanden na Merlinde met beide schouders aan de grond zat, heb ik het haar toch nog maar eens voorgesteld (de eerste trouwdatum die we onszelf in de nacht van Merlindes verwekking opgelegd hadden, was al bezet en door de dood van onze ongeboren dochter hadden we die datum samen met haar begraven).
Even luisterde ze weer zo aandachtig als in die tijd dat ik haar op 2 april mocht voorlezen uit haar favoriete boek, maar de week nadien begon ze volop het feest te regelen.
Ze regelde een feest zoals niemand het ooit had kunnen dromen, of toch vooral ik niet.
Ze nodigde iedereen uit die in men adressenboekje stond, en vulde die lijst aan met enkele pagina's uit het telefoonboek.
De straat werd volledig afgezet (vorige week al denk ik) om de massa volk op te kunnen vangen, en overal werd alles wit geschilderd, het kleur van de hoop (in haar ogen althans).
°
Ze zat helemaal achteraan in de kerk. Ze kwam zelfs te laat.
Ik had haar de dag ervoor geen treinticket kunnen geven, en denk dat ze daarom wel terecht wat later kwam.
Het treinticket zat nochtans klaar in men binnenzak. Ik had er alleen niet aan gedacht dat ik op de dag van het huwelijk niet meer in men groengeverfd kantoortje hoefde te komen en het haar daardoor nooit meer op tijd zou kunnen bezorgen.
°
'Waarom Frank? Waarom?'
Ze begon nu ook stilletjes te wenen, om daarna nog meer te wenen en uiteindelijk het hele bed nat te janken.

Ik wist het nog steeds niet. Waarom had ik dat verdomde treinticket in men binnenzak laten zitten?
°
Ik schat 5 minuten.
Langer ben ik er niet meer gebleven, de zon stond al op 21° dus theoretisch gezien behoor ik niet tot de grote groep mensen die elkaar verlaten nog voor de eerste huwelijksnacht voorbij is.
Ik vind dat belachelijk, je vrouw verlaten nog voor de eerste huwelijksnacht aan zen einde is gekomen, dus ben ik gebleven. Een huwelijksreis was niet gepland, dus die hoefde ik dan ook niet af te wachten.
Men kleren had ik gelukkig nog aan (enkel men schoenen niet, maar er was geen spoor van veters, dus die vormden geen enkel probleem) toen ik de deur achter me dicht sloeg en het key-kaartje onder de deur terug naar binnen schoof.

Waar ik me nu precies bevind kan ik niet met concrete duidelijkheid zeggen, maar dat is een detail. Belangrijker is waar ik uitkom, maar dat zie ik morgen wel weer, in tegenstelling tot zij en Sara.